Kunstmatige intelligentie is niet langer een softwarefeature, maar een kracht die zich nestelt in productontwerp, fabriekshallen en kernprocessen. Dat is de rode draad op VivaTech 2026, dat deze dagen in Parijs plaatsvindt.
Van feature naar force, zo vatte ceo Roland Busch van Siemens zijn overkoepelende visie samen. En die schets was deze dagen vaker te horen. De ongemakkelijke boodschap die net zo vaak klonk: het gaat niet snel genoeg.
Busch tijdens een CEO-forum op VivaTech: “AI wordt in de komende eeuw wat elektriciteit in de vorige was, een basistechnologie die alles eronder verandert.” Bij Siemens zit dat allang in de praktijk: digital twinning, complexe simulaties zoals aerodynamica, en snelheid brengen in ontwerpprocessen. Wat vroeger maanden duurde, kan met AI in een fractie van die tijd worden doorgerekend.
Die traagheid waar de rest van het continent mee worstelt, heeft volgens Xavier Jaravel, hoogleraar economie aan de London School of Economics, een herkenbare voorgeschiedenis. Europa verliest tempo in productiviteitsgroei ten opzichte van de Verenigde Staten. Anders dan we algemeen aannemen, ligt dat maar voor een vijfde aan de technologie zelf. De overige tachtig procent zit in de diffusie: het tempo waarmee bedrijven IT daadwerkelijk omarmen en in hun processen verweven. Europa heeft die slag bij de informatietechnologie te langzaam gemaakt. Precies datzelfde patroon dreigt zich nu bij AI te herhalen. Oude wijn in nieuwe zakken.
Wie de techniek wél wil laten landen, moet eerst het fundament op orde hebben. Margaux Gregoir, partner bij de Franse vc-firma Serena, wees op het belang van een deugdelijke stack: een goede API-laag, machineleesbare systemen en betrouwbare data. De kunst is om de verspreiding ervan makkelijk te maken, sneller te laten accepteren en breder te laten doordringen.
Cultuur bleek minstens zo bepalend als techniek. Gregoir merkte op dat het een wereld van verschil maakt wanneer de CEO zelf begrijpt waar AI over gaat. Bedrijven met die kennis aan de top hanteren een andere methodologie en kunnen veel sneller een make-or-buy-beslissing nemen.
Precies daar schuilt het venijn, waarschuwde Cedrik Neike, lid van de raad van bestuur en ceo Digital Industries bij Siemens. Hij somde de valkuilen op die hij keer op keer ziet. Bedrijven verdrinken in pilots en experimenten zonder ooit op te schalen. Binnen organisaties ontstaan digitale eilandjes die niet van elkaars werk afweten. En te vaak sleutelen afdelingen in hun eentje aan AI, waardoor snel opschalen onmogelijk wordt. Het is, kortom, het tegenovergestelde van diffusie: veel beweging, weinig vooruitgang.
Bij de altijd terugkerende vrees voor banenverlies hield Jaravel het hoofd koel. Het schrappen van werk is geen probleem zolang de beroepsbevolking wordt bijgeschoold, betoogde hij.
Dat AI niet langer om de techniek op zichzelf draait, maar om wat je ermee doet, onderstreepte Inge Kerkloh-Devif, bestuurder bij HEC Paris. De relevante vraag is volgens haar hoe je je organisatie concurrerender wordt. Veel van de echte vernieuwing ontstaat kruispunten tussen technologieën, disciplines en sectoren. Een groeiend deel daarvan komt voort uit dual-use-toepassingen, waar civiele en militaire en spacetoepassingen elkaar beïnvloeden.
Juist op dat snijvlak van het fysieke en het digitale meent Europa een troef in handen te hebben. Waar de Verenigde Staten vooral inzetten op de route van AI naar AGI en op digitale diensten ligt de Europese kracht in de stack van fysieke systemen, betoogde Jeannette zu Fürstenberg gisteren. Zij is general manager van investeerder General Catalyst. Innoveren in fysieke systemen zoals robots, machines, autonome installaties en in de wereld van componenten is volgens haar het terrein waar Europa uniek is. De huidige toeleveranciers van de auto-industrie, componentenmakers, zouden die kennis kunnen verschuiven naar bijvoorbeeld robotica. Defensietechnologiebedrijf Helsing geldt daarbij als een voorbeeld van wat fysieke AI in de praktijk betekent.
Helsings chief scientist Antoine Bordes toonde zich kritisch op Europese instanties die nu meer investeren in innovatie. Hij waarschuwt voor zelfgenoegzaamheid: “Als wij meer investeren, maar China en de VS doen dat met een nog hoger tempo dan lopen we de achterstand nog steeds niet in.”
AI-wetenschapper Yann LeCun betoogt dat de open source-route uiteindelijk de verstandigste is. De Amerikaanse AI-modellen zijn namelijk closed source en dat ziet de gerenommeerde Fransman als een fundamenteel gebrek. Veel van de nieuwe Chinese modellen daarentegen zijn op zijn minst open weights en vaak open source. Zo’n open omgeving stimuleert ontwikkelaars om nieuwe dingen op en mee te bouwen. De wetenschapper spreekt uit ervaring. Hij stond aan de wieg van het open sourcen van de Llama-modellen van Meta.
Het beeld dat de topbestuurders van genoemde organisaties schetsen, was ook terug te zien op de Parijse beursvloer. Veel bedrijven, van klein tot groot, toonden vooral nuttige toepassingen van AI en agents. Geen glimmende gimmicks, wel ‘saaie’ praktische efficiencies. Behalve de Nederlandse stand. Ook dit jaar weer de uitzondering op de regel: geen start-ups die zich aan de wereld presenteerden, geen promotie van een lokaal ecosysteem. Wel weer gratis koffie en een koekje.