In de rubriek De Overstap gidst ict‑journalist Robbert Hoeffnagel de ict-pro en -beslisser naar soevereine zakelijke oplossingen. In deel 9: je kunt ook zonder Android-toestel of iPhone op reis, om adoptie van soevereine oplossingen te stimuleren moet de leercurve omlaag en tips voor o.a. een Duitse personal knowlegde management app.
Deze zomer was het zover. Voor het eerst ging ik op vakantie met een techomgeving die vrijwel geheel is gebaseerd op open source en alternatieven voor Big Tech. Geen Windows-laptop, geen MacBook, geen iPhone of standaard Android-telefoon en zo min mogelijk afhankelijkheid van Google-diensten.
Hoe dat beviel? Uiteindelijk uitstekend. Het interessante woord in die zin is alleen wel: ‘uiteindelijk’.
Even de technische inventarisatie. Mijn laptop is een Slimbook Evo met Linux Mint. De toepassingen die ik daarop gebruik zijn open source. Mijn telefoon is inmiddels een Fairphone 6 met Murena’s /e/OS. Daar probeer ik het aantal geïnstalleerde apps beperkt te houden. Waar het kan gebruik ik een webapp. Waar dat niet praktisch is, installeer ik gewoon een app.
En daarmee vertrokken we richting de Zuid-Franse kust.
Stoppen voor koffie en tech support
We rijden elektrisch, met een Volvo die in de praktijk een bereik heeft van maximaal zo’n 400 kilometer. Dat betekende dus regelmatig stoppen om te laden. Onderweg kwamen we kennissen tegen die met hun Skoda-stationwagen ruim 800 kilometer op een tank benzine konden rijden. Dat schiet uiteraard aanzienlijk sneller op.
Toch heeft elektrisch rijden op zo’n lange reis ook een grappig voordeel: het dwingt je om rustiger te reizen. Het bekende advies om na ongeveer twee uur rijden even een kwartiertje te stoppen, wordt door veel automobilisten vooral beschouwd als iets dat voor andere mensen bedoeld is. Met een elektrische auto heb je weinig keuze. De accu bepaalt regelmatig dat het tijd is voor koffie.
Dit keer bleek zo’n laadstop nog om een andere reden bijzonder nuttig. Tijdens het rijden viel mij aanvankelijk niets op. Mijn telefoon lag ergens in een vakje naast me en notificaties mis je dan gemakkelijk. Eenmaal over de grens begon mij echter iets op te vallen. Mijn partner en ik zitten in een aantal dezelfde groepsapps. Op haar telefoon kwamen berichten binnen. Op de mijne bleef het opvallend stil.
Bij de eerste laadstop in het buitenland keek ik wat beter. En inderdaad: geen internet. Dat is toch een bijzonder moment. Je hebt bewust afscheid genomen van het mobiele ecosysteem dat je jarenlang gebruikte, bent ergens onderweg in het buitenland en ontdekt vervolgens dat je nieuwe telefoon niet online komt. Dan begint het Grote Zoeken naar de oplossing.
APN? Welke APN?
/e/OS is wat instellingen betreft eigenlijk heel overzichtelijk. Ik liep alles na en voor zover ik kon zien stond het goed. Mobiele data aan. Roaming aan. Netwerk beschikbaar. Maar internet? Nee.
Murena’s /e/OS
Ik gebruik al enige tijd Mistral Vibe als een soort technische assistent. Dus legde ik het probleem voor. Zoals vaker bij technische problemen kwam daar een indrukwekkende lijst mogelijke oorzaken uit. Instellingen controleren, netwerk opnieuw aanmelden, roaming bekijken, SIM-instellingen nalopen, enz. Uiteindelijk kwamen we terecht bij de APN-instellingen: de ‘Access Point Names’ waarmee een telefoon weet hoe hij verbinding moet maken met het mobiele datanetwerk van een provider. Daar leek aanvankelijk niets mis mee. Ik zag een hele lijst namen, inclusief iets met ‘KPN 4G/LTE’. KPN is mijn provider, dus mijn eerste gedachte was: dan zal dit gedeelte wel goed staan.
Toch niet. Je kunt Vibe, net als veel andere ai-tools, simpelweg een screenshot van zo’n scherm sturen en vragen of het klopt. Het antwoord was vrij duidelijk: de juiste KPN-APN ontbrak. Vervolgens kreeg ik de instellingen die ik handmatig kon toevoegen. En ja hoor: enkele seconden later leefde ik digitaal weer.
Het interessante is natuurlijk dat er technisch gezien helemaal niets kapot was. De telefoon werkte. /e/OS werkte. KPN werkte. Roaming werkte. Er ontbrak alleen simpelweg een instelling.
Mijn Slimbook gaf gedurende de vakantie dan weer geen enkel probleem. Openklappen, verbinden met wifi en werken. Precies zoals je van een laptop verwacht. En misschien zit daar wel een belangrijk deel van het verhaal. We hebben inmiddels jarenlang geleerd hoe Windows, macOS, Android en iOS werken. Veel instellingen worden automatisch voor ons geregeld. We kennen bovendien de eigenaardigheden van die platformen. Als iets niet werkt, weten we vaak ongeveer waar we moeten zoeken. Stap je over op iets anders, dan moet je een deel van die aangeleerde vanzelfsprekendheden weer loslaten. Dat is niet noodzakelijk een tekortkoming van het alternatief. Het is voor een deel simpelweg gewenning.
Maar niet helemaal.
De learning curve moet omlaag
De open source-wereld kent namelijk nog steeds regelmatig een vrij stevige ‘learning curve’. Misschien geldt dat wel breder voor technologie die probeert een alternatief te bieden voor de dominante platforms.
Dat is historisch gezien ook niet zo vreemd. Veel open source-projecten zijn ontstaan binnen gemeenschappen waarvan de gebruikers zelf behoorlijk technisch waren. Wie Linux installeerde, vond het vaak helemaal niet erg om een configuratiebestand te openen. Sterker nog: voor een flink deel van die gebruikers was dat juist de aantrekkingskracht. Bij sommige projecten zie je bovendien veel forks, verschillende distributies en uiteenlopende manieren om hetzelfde probleem op te lossen. Voor ontwikkelaars en ervaren gebruikers is dat keuzevrijheid. Voor iemand die simpelweg zijn telefoon wil gebruiken, kan het ook verwarrend zijn.
Dit punt wordt belangrijker nu digitale autonomie en digitale soevereiniteit steeds minder uitsluitend onderwerpen zijn voor technisch onderlegde enthousiastelingen. De doelgroep verandert. En daarmee moeten de producten eigenlijk mee veranderen.
Het gaat niet alleen meer om de vraag of een alternatief technisch kan wat het Big Tech-product kan. Want dat zit vaak wel goed. Het gaat steeds vaker ook (vooral?) om de vraag of een – zeg maar – normale gebruiker ermee overweg kan zonder eerst een halve opleiding systeembeheer te volgen.
Nextcloud op het strand
Hoezeer die doelgroep aan het veranderen is, merkte ik deze zomer zelfs op het strand. Ik liep daar op een dag rond in een oud t-shirt met een Nextcloud-logo. Niet direct kleding waarmee je verwacht in Zuid-Frankrijk veel aandacht te trekken. Toch werd ik er enkele keren op aangesproken. Alle keren door Fransen die het logo herkenden. En voor je het weet sta je dan bij 35 graden Celsius op een strand te praten over Nextcloud, digitale autonomie, Amerikaanse technologiebedrijven en Europese alternatieven.
Het is uiteraard geen wetenschappelijk marktonderzoek. Maar het zegt naar mijn idee wel iets. Namen als Nextcloud komen langzaam buiten de traditionele open source-gemeenschap terecht.
Datzelfde geldt voor /e/OS. Murena en /e/OS proberen het probleem van appcompatibiliteit onder andere op te lossen met microG, een open source-herimplementatie van Google Play Services. Daarmee kunnen veel apps die afhankelijk zijn van Google-diensten toch functioneren zonder dat daarvoor een persoonlijk Google-account nodig is.
Op mijn Fairphone 6 is /e/OS inmiddels een officieel ondersteund besturingssysteem. De documentatie van /e/OS vermeldt voor dit toestel onder meer ondersteuning voor het basisniveau van Play Integrity. Maar daarmee zijn niet alle problemen verdwenen.
Als Google mag bepalen of je telefoon betrouwbaar is
Met enige regelmaat zie ik namelijk Murena’s COO Rik Viergever (inderdaad, een Nederlander) op LinkedIn oproepen plaatsen met de vraag of iemand hem in contact kan brengen met de ontwikkelaars van bekende apps. Meestal verwijst hij in zo’n post al direct naar een belangrijk discussiepunt bij alternatieve Android-systemen: de Google Play Integrity API.
Die technologie is bedoeld om appontwikkelaars te helpen beoordelen of interacties met hun applicatie afkomstig zijn van wat Google en de ontwikkelaar als een legitieme app- en apparaatomgeving beschouwen. Google positioneert Play Integrity onder andere als een manier om misbruik, gemanipuleerde apps en risicovolle apparaten te detecteren. Dat is vanuit beveiligingsoogpunt begrijpelijk. Maar er ontstaat een probleem wanneer zo’n integriteitscontrole feitelijk verandert in een toegangscontrole.
Een applicatie kan bijvoorbeeld eisen dat een toestel voldoet aan een bepaalde Play Integrity-uitkomst. Google’s documentatie laat zien dat daarbij verschillende ‘integrity verdicts’ kunnen worden gebruikt en dat ontwikkelaars hun applicatie daar vervolgens op kunnen laten reageren. Het gevolg kan zomaar zijn dat een app op een alternatieve Android-distributie niet volledig functioneert, terwijl er technisch gezien met de app zelf niks mis hoeft te zijn.
En daarmee komen we bij een interessante nieuwe fase van digitale autonomie.
De volgende stap is saai
De eerste strijd van open source was vooral technisch: kunnen we een alternatief bouwen? Voor een verrassend groot aantal toepassingen kunnen we die vraag inmiddels met een volmondig “ja” beantwoorden. Linux op mijn laptop? Werkt. Nextcloud? Werkt. Fairphone met /e/OS? Werkt. Open source-applicaties voor vrijwel alles wat ik dagelijks doe? Werken.
De volgende stap is misschien minder spannend voor ontwikkelaars, maar voor brede adoptie minstens zo belangrijk: maak het saai. Een telefoon moet gewoon online komen zodra ik Frankrijk binnenrijd. Een bank-app moet gewoon starten. Een treinkaartje moet gewoon beschikbaar zijn. Een parkeer-app moet werken.
Een gebruiker die overstapt omdat zijn of haar organisatie digitale autonomie belangrijk vindt, zou niet eerst hoeven uitzoeken wat een APN is of waarom een bepaalde app een Play Integrity-verdict verlangt. Natuurlijk zal er altijd een groep zijn die het juist leuk vindt om dat allemaal uit te zoeken. Daar hoor ik waarschijnlijk zelf ook wel een beetje bij. Maar digitale autonomie wordt pas echt interessant als die technische nieuwsgierigheid geen voorwaarde meer is.
Mijn eerste volledig Big Tech-arme vakantie is uiteindelijk uitstekend verlopen. Laptop gaf geen enkel probleem. En mijn Fairphone met /e/OS eigenlijk ook niet, nadat ik één ontbrekende instelling had gevonden. Daarna heb ik nauwelijks nog over de techniek hoeven nadenken. En dat is misschien wel het beste compliment dat je zo’n alternatieve techomgeving kunt geven: je vergeet dat het een alternatief is, want het werkt gewoon.
Opnieuw aan de slag met personal knowledge management
In een eerdere editie van deze rubriek kwam personal knowledge management, kortweg PKM, al eens voorbij. Het idee is eigenlijk eenvoudig: hoe verzamel je informatie die voor jou relevant is op één centrale plek, zó dat je die later gemakkelijk kunt terugvinden en verbanden kunt leggen tussen verschillende onderwerpen, soorten informatie enz.?
Een object in Capacities.
Van een lezer kreeg ik onlangs de tip om eens naar Capacities.io te kijken. Die naam kende ik al. Ik had eerder met de Duitse tool geëxperimenteerd, maar was er uiteindelijk weer mee gestopt. Niet omdat de tool niets kon, maar vooral omdat ik er destijds onvoldoende tijd in had gestoken. De tip was voor mij echter reden om tijdens mijn vakantie opnieuw te beginnen. En dit keer ben ik ronduit enthousiast.
Capacities,io wijkt af van klassieke notitie-apps doordat het werkt met zogenoemde objecten. Je kunt eigen typen informatie definiëren, zoals personen, bedrijven, projecten, boeken, artikelen of ideeën. Daar maak je vervolgens pagina’s voor die precies passen bij de manier waarop jij zelf informatie organiseert.
Daarnaast kun je vrijwel alles taggen en met andere objecten verbinden. Juist dat maakt het interessant als je – zoals ik – veel verschillende soorten informatie over veel verschillende onderwerpen verzamelt. Een interview, een bedrijf, een technologie en een interessant artikel kunnen allemaal aan elkaar worden gekoppeld zonder dat je eerst ingewikkelde mappenstructuren hoeft te bedenken.
De keerzijde is er ook: de learning curve is behoorlijk steil. De lezer die mij Capacities,io opnieuw aanbeval, waarschuwde daar al voor. Je moet echt even ontdekken hoe het systeem ‘denkt’ en hoe je het voor je eigen werkwijze kunt inrichten.
Ik vermoed dat ik inmiddels hooguit vijf procent van alle mogelijkheden heb ontdekt. Maar die vijf procent bevalt tot nu toe uitstekend. En misschien is dat voor PKM wel belangrijker dan honderd functies kennen: dat je een systeem vindt waarin je informatie daadwerkelijk wilt blijven verzamelen.
Nog vier interessante alternatieven om eens te bekijken
Tot slot nog een paar kleinere vondsten die goed passen bij de zoektocht naar een wat opener en onafhankelijker digitale omgeving. Sommige zijn heel praktisch, andere vooral interessant omdat ze laten zien dat technologie ook heel anders georganiseerd kan worden.
littleFedi – Stefano Marinelli beschrijft op zijn persoonlijke site hoe hij met littleFedi teruggrijpt op het idee van de oude BBS-wereld: een Fediverse-server die niet afhankelijk hoeft te zijn van een datacenter, grote cloudprovider of omvangrijke infrastructuur. Het idee is bijna ouderwets eenvoudig: een computer die ergens staat en rechtstreeks onderdeel wordt van een gedecentraliseerd netwerk. Juist daardoor is het interessant. Het Fediverse hoeft helemaal niet groot en zwaar te zijn.
Vim, Neovim en Sublime Text– Wie vooral teksten schrijft of snelle aantekeningen maakt, hoeft natuurlijk helemaal geen uitgebreide tekstverwerker te gebruiken. Vim en Neovim zijn razendsnelle editors die vooral populair zijn onder programmeurs, maar ook prima geschikt zijn voor gewone .txt- en Markdown (md)-bestanden. Sublime Text biedt een toegankelijker grafische variant. Voor wie veel in Markdown schrijft, kan zo’n eenvoudige editor verrassend prettig en snel werken. Maar wederom: het is even wennen.
soev.ai – Een Nederlands platform voor soevereine ai. Organisaties kunnen er chatbots, kennisbanken en ai-agents mee bouwen, waarbij de software volgens de aanbieder op open source-technologie is gebaseerd en in Nederland of zelfs on-premise kan draaien. Data wordt volgens soev.ai niet gebruikt om modellen te trainen. mtux.nl – Een Nederlandse publieke server op het open Matrix-netwerk. Het idee is simpel: chatten via een decentraal netwerk, zonder advertenties en tracking. Interessant is bovendien dat mtux inmiddels koppelingen met WhatsApp en Signal aanbiedt, zodat verschillende berichtenstromen op één plek kunnen samenkomen.
Vier heel verschillende voorbeelden dus. Maar ze hebben iets gemeen: ze laten zien hoeveel alternatieven er bestaan zodra je buiten de gebruikelijke Big Tech-paden durft te gaan kijken.
computable
17-08-2026 16:52