Berkleef vs. Capgemini: slepende rechtszaak relevant voor it-sector

ANALYSE – Wat ruim twaalf jaar geleden begon als een geschil over de ontwikkeling van bedrijfskritische software, heeft zich ontwikkeld tot een van de meest opmerkelijke civiele procedures van de afgelopen jaren. Op 17 juli 2026 sprak de Hoge Raad zich voor de vierde keer uit in dezelfde zaak: Berkleef vs. Capgemini. Opnieuw vernietigde het hoogste rechtscollege een arrest van een gerechtshof en verwees het de zaak, ditmaal naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. De meeste civiele procedures eindigen na een uitspraak van de rechtbank of het gerechtshof. Sommige halen de Hoge Raad. Slechts een handvol zaken keert daar meerdere malen terug. De zaak Berkleef vs. Capgemini behoort tot die uitzonderingen. Vier arresten van de Hoge Raad later moet de kwaliteit van de software nog altijd voor het eerst inhoudelijk worden beoordeeld. Een juridische marathon In de afgelopen twaalf jaar leek de procedure meerdere malen haar einde te hebben bereikt. Toch volgde telkens opnieuw een volgende processtap, omdat volgens Kenneth Berkleef (Equihold) de kern van het geschil nog steeds onbeantwoord was gebleven. Dat leidde uiteindelijk tot vier arresten van de Hoge Raad – een uitzonderlijk verloop in een civiele procedure. Die volharding beperkte zich niet tot de rechtszaal. De jarenlange procedure bracht aanzienlijke kosten met zich mee. Om de strijd te kunnen voortzetten ontwikkelde Berkleef CapClaim. Daarmee werd voor hem de financiële drempel van een langdurige procedure tegen een grote marktpartij overbrugd. De zaak vertelt niet alleen het verhaal van een conflict tussen een ondernemer en een beursgenoteerde multinational. Los van de uiteindelijke uitkomst laat deze zaak zien hoeveel creativiteit, doorzettingsvermogen en geloof in juridische beginselen soms nodig zijn om een principiële rechtsvraag tot aan de hoogste rechter te brengen. Het uiteindelijke antwoord op die vraag maakt de uitspraak relevant voor de ict-sector. In veel conflicten over softwareprojecten spelen contractuele afspraken, aansprakelijkheidsbeperkingen en discussies over ingebrekestellingen een centrale rol. Waar gaat de procedure nu nog over? De recente verwijzingsprocedure van de Hoge Raad gaat niet langer over de contractuele grondslag van het geschil. Het arrest van het Gerechtshof Den Haag is op dat onderdeel in stand gebleven. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de vordering uit onrechtmatige daad niet zonder zelfstandige beoordeling had mogen afwijzen. Daarom zal het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zich uitsluitend over die vraag buigen. De Hoge Raad heeft zich nadrukkelijk niet uitgelaten over de vraag of Capgemini daadwerkelijk onrechtmatig heeft gehandeld. Dat oordeel is aan het verwijzingshof. De kern van het geschil Juist op dat punt bevat de conclusie van Ruth de Bock, advocaat-generaal van het Parket van de Hoge Raad eerder dit jaar een opmerkelijke observatie. Zij adviseerde partijen serieus te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is en schreef: ‘Bij deze stand van zaken verdient het m.i. sterk aanbeveling dat partijen trachten in der minne tot een oplossing te komen, bijvoorbeeld onder leiding van een mediator. De raderen van de rechtspraak hebben tot nu toe bedroevend weinig bijgedragen aan een oplossing, althans een definitieve beslechting van het geschil tussen partijen. Dat is niet los te zien van het feit dat in ruim twaalf jaar procederen nog geen begin is gemaakt met de beoordeling van de kern van dit geschil, namelijk de kwaliteit van de door Capgemini geleverde software.’ Die passage springt in het oog. Niet omdat de advocaat-generaal vooruitloopt op de uitkomst van het geschil, maar omdat zij benoemt wat in deze procedure feitelijk is gebeurd: na ruim twaalf jaar procederen is de kwaliteit van de software nog steeds niet inhoudelijk door een rechter beoordeeld. Dat roept een bredere vraag op die verder reikt dan deze zaak alleen: in hoeverre laat het civiele procesrecht ruimte voor een inhoudelijke beoordeling wanneer een procedure jarenlang wordt beheerst door processuele vraagstukken? Meer dan een geschil tussen twee partijen Welke uitkomst de verwijzingsprocedure uiteindelijk ook krijgt, de zaak Berkleef vs. Capgemini heeft inmiddels een betekenis gekregen die verder reikt dan het belang van partijen. Zij roept vragen op die voor veel ondernemingen herkenbaar zijn. Hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van een it-leverancier? Wanneer kan naast een contractuele tekortkoming ook sprake zijn van een onrechtmatige daad? En hoe voorkomt het procesrecht dat een inhoudelijke beoordeling van zulke verwijten jarenlang uitblijft? Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zal zich uitsluitend uitlaten over de vraag of de door Berkleef gestelde feiten – indien en voor zover zij komen vast te staan – kunnen leiden tot aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. Daarmee lijkt na ruim twaalf jaar procederen eindelijk de fase te zijn aangebroken waarin de inhoud van het geschil centraal komt te staan. Juist daarom zal de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch met belangstelling worden gevolgd. Niet alleen door de betrokken partijen, maar ook door juristen, it-specialisten, softwareleveranciers en ondernemingen die afhankelijk zijn van complexe softwareontwikkeling.
computable
24-07-2026 07:16